Warmtebedrijven worden publiek — maar waarop rekenen we ze af?

Warmtebedrijven komen in publieke handen — maar de investeringen blijven achter. Op 9 december 2025 nam de Eerste Kamer de Wet collectieve warmte aan, die vastlegt dat warmte-infrastructuur voor meer dan vijftig procent in publiek eigendom moet zijn. De gedachte daarachter is een waardeoordeel: warmtenetten zijn te belangrijk om aan de markt over te laten.

Maar wie vandaag het debat over netbeheerders volgt, stuit op een opmerkelijke paradox. De kritiek op Tennet, Alliander en Stedin gaat zelden over toegankelijkheid of rechtvaardigheid. Ze gaat over investeringsachterstanden, capaciteitstekorten en economische stagnatie. Kortom: over bedrijfsmatige prestaties. En precies daar zit het probleem. Want de reden waarom we voor publiek eigendom hebben gekozen, is een andere dan de reden waarop we het nu beoordelen.

Publiek eigendom van infrastructuur is verdedigd vanuit waarden: gelijke toegang, continuïteit van levering, bescherming van het algemeen belang boven aandeelhoudersrendement. Die keuze staat los van de vraag welke organisatievorm het efficiëntst is. Efficiëntie — in de zin van kostenbeheer, investeringsrendementen en doorlooptijden — is een maatstaf uit het bedrijfsleven, afgeleid van de logica van de markt. Dat die maatstaf ook zijn beperkingen kent in de publieke sector is overigens geen nieuw inzicht: de golf van bedrijfsmatig denken uit de jaren tachtig is al lang met kritische noten bekeken en grotendeels achterhaald. Wie publiek eigendom rechtvaardigt op basis van waarden, maar het vervolgens evalueert op bedrijfsmatige criteria, vergelijkt appels met peren — en doet dat zonder het te zeggen. Sterker nog: zo’n redenering geeft impliciet de 49% private logica het laatste woord over hoe de 51 procent publieke kant beoordeeld wordt.

De term “maatschappelijke schade” maakt die verwarring zichtbaar. Bedoelt men economische schade — bedrijven die niet kunnen aansluiten, projecten die vertragen, groei die stokt? Dan is dat een legitiem efficiëntievraagstuk, maar het raakt niet aan de oorspronkelijke rechtvaardiging voor publiek eigendom. Bedoelt men schade aan publieke waarden — wijken zonder voldoende netcapaciteit, kleinverbruikers die de dupe worden van congestie? Dan is de conclusie niet dat publiek eigendom heeft gefaald, maar dat het onvoldoende wordt uitgevoerd. Met hetzelfde woord kan men zowel privatisering als versterking van publiek eigendom bepleiten. Dat is geen strategische keuze, dat is conceptuele verwarring.

De Wet collectieve warmte legt een fundament; het debat over de uitvoering begint nu pas. Zolang onduidelijk blijft welke maatstaf leidend is, lopen investeringsbeslissingen, toezichtarrangementen en politieke verantwoording langs elkaar heen. Dat netbeheerders en warmtebedrijven beter moeten presteren, zal niemand bestrijden. Waarop zij worden afgerekend, en namens wie, is de vraag die eerst beantwoord moet worden.

Vergelijkbare berichten